Tachtig en helemaal terug van weggeweest, met zijn bestseller in geïllustreerde herdruk, een interview in Volkskrant Magazine en de opdracht voor het boekenweekgeschenk van volgend jaar. Jan Siebelink is trés courant. Na al die jaren las ik eindelijk zijn meesterwerk, waarvan de titel me vertrouwd was maar de inhoud nog volslagen onbekend. Ik besloot tot Knielen op een bed violen.

En zo gleed ik vijfhonderd pagina’s terug in de tijd, naar ‘het platte veen’ in de jaren dertig van de vorige eeuw, waar de kleine Hans Sievez opgroeit in het arme dijkdorp Lathum aan ‘de rand van het niets’, waar de mensen werken als pachtboeren of arbeiders op de steenfabriek en zelden een poging ondernemen om hun heil te zoeken aan de overzijde van de rivier.

Zijn sterke broers zijn allebei verongelukt. Hij is de zwakste, een dromer en vooral een zoon van zijn moeder. Een vader had hij liever niet gehad. Die werkt als putman in de klei, hoewel hij graag vormer wilde zijn. Thuis kneedt hij Hans met blote hand, zeven slagen in de schuur bij het hok van zijn geliefde konijn. ‘Hij kan zo hard zijn,’ mompelt zijn moeder, meer kan ze niet voor hem doen.

Zelfs niet wanneer zijn vader zich bekeert tot een zuivere prediking van het geloof. Ze is altijd slecht van gezondheid geweest. Niet lang daarna treft Hans haar levenloos op het tuinpad aan. In de schamele begrafenisstoet neemt hij zich voor uit Lathum te vertrekken en te trouwen met zijn vriendin. Als blijkt dat zijn vader het konijn heeft geslacht, neemt hij de benen, voorgoed.

De rest van zijn leven probeert hij tevergeefs een andere weg in te slaan. In Den Haag bekwaamt hij zich als tuindersleerling in varens en gloxinia’s, maar komt onder invloed van een godsdienstfanaat. Hij slaat hem tegen de grond en keert terug naar Velp, waar hij in het huwelijk treedt met zijn Margje en zijn eigen kwekerij begint. Maar het geloof blijft hem achtervolgen, geen van beiden kan zich ertegen verweren.

Hoewel ze met moeite het hoofd boven water kunnen houden, verwaarloost Hans zijn gezin en zijn werk, spendeert de schaarse opbrengsten aan religieuze lectuur en laat weerzinwekkende figuren in zijn huis om schreeuwend het woord Gods te verkondigen. Hij houdt zich voor ‘dat er verrukking op hem lag te wachten die eeuwig zou duren. Wat woog daar in het tijdelijke tegenop?’ Zelfs niet zijn vrouw, zelfs niet zijn zoon, zelfs niet zijn sterfelijkheid.

Jan Siebelink baseerde de autobiografische roman op zijn eigen vader, in een poging om hem te doorgronden. Dat is hem voortreffelijk geluk. Ondanks het archaïsche taalgebruik, wordt de onweerstaanbare aantrekkingskracht van het geloof invoelbaar, te midden van de fuchsia’s en zaailingen in de kassen, evenals de machteloosheid van zijn vrouw om daar iets tegen te doen.

Alleen al in Nederland is het ruim 700.000 maal verkocht, bekroond met de AKO Literatuurprijs en bestempeld als een van de meest succesvolle Nederlandse literaire romans van na de Tweede Wereldoorlog. Ter ere van Siebelinks tachtigste verjaardag verscheen dit jaar een bijzondere uitgave, rijk geïllustreerde met bloemen en planten. Voor wie nog meer beelden wil: in 2016 werd het onder dezelfde titel verfilmd.

Deze recensie schreef ik voor YouBeDo, de online boekenwinkel waar je met elke aankoop bijdraagt aan je goede doel.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *