Mijn schoonmoeder viert haar zevenenzestigste verjaardag bij voorkeur op de bowlingbaan, met snelle schoenen en nog snellere muziek, met bonte ballen en nog bontere verlichting en vooral tot uitbundig enthousiasme van haar jongste nageslacht. Ze wordt ervoor bejubeld en beloond met zelfgeknutselde creaties. Ik mis het hoofdprogramma, maar bij de afterparty thuis voeg ik me bij het feestgedruis. Met taart, chips en cola.
Voor de kleintjes is dat laatste de ultieme lekkernij. Nauwlettend bewaak ik mijn witte wijntje, met twee handen aan mijn glas, en probeer met schoonzus en schoonvader bij te praten, terwijl een kleindochter de split uitvoerig voordoet (of was het de spagaat?) en een kleinzoon ijverig de handstand oefent, tegen de achtergrond van een vrije Jim Brickman-improvisatie op de piano. Waar halen ze de energie vandaan? Ze zijn onvermoeibaar.
Tot de kaasfondue. Het ene kleinkind raakt ontstemd bij het gerucht dat hij niet mee mag eten, de ander bij het idee dat hij iets op moet eten en nummer drie spuugt alles er halverwege de maaltijd weer uit. De laatste keer dat ik zo ziek was, bedenk ik me, bleek mijn blindedarm te zijn gebarsten, maar gelukkig ben ik die inmiddels kwijt. Wat ben ik blij dat ik zoveel suikers en sensatie in een ver verleden achter me gelaten heb.
Twee dagen later zit ik in de trein naar Amsterdam. ‘Of ik zenuwachtig ben?’ vraagt een vriend me aan de telefoon, voor mijn tweede interview bij PAUW. ‘Nee, dat valt best mee,’ begin ik voorzichtig. ‘Maar nu je het zo zegt. Ik ben wel een beetje misselijk.’ Op het station ga ik haast van mijn stokje. Bij de kiosk haalt mijn lief een zakje. In de auto hou ik het open voor de borst. In de parkeergarage geef ik over, tot de papieren bodem door begint te lekken en ik net op tijd een prullenbak bereik.
Lijkbleek en zo slap als een vaatdoek lig ik even later in een tweepersoons hotelbed, ijskoud en diep weggekropen onder een dubbele laag dekens, met een champagnekoeler aan mijn zij, voor het geval. De helft van mijn schoonfamilie blijkt bezweken aan een virus. Hoe zou het overkomen, vraag ik me af, als ik straks weer ‘onwel word’, live op televisie? Zelden voelde ik me zo ellendig.
Beroerd of niet beroerd, the show must go on. Met het vooruitzicht van frisse lucht en beterschap brengt mijn lief me op de been. Langzaam lopen we door het donker naar de studio. Daar staar ik een poosje naar een kom Aziatische pompoensoep, maar laat alles staan. Wat er niet in komt, kan er ook niet weer uit. Kundig camoufleert de visagiste mijn gesteldheid met een blosje op mijn wangen en wat fut in mijn haar. Maar ik knap pas op als ik wat heb gedronken. Het blijkt mijn redding te zijn. Ik sla me met acute buikgriep door de extra lange uitzending heen, dankzij twee grote glazen cola.
In twijfel sta ik voor mijn kledingkast. Zwart maakt hard. Blauw is koud – en bovendien een beetje bloot. Zou rood met een patroontje ordinair zijn? Streepjes, zo is mij verteld, gaan trillen op de beeldbuis. Dat doe ik zelf al wel genoeg. En draag ik daar dan kousen onder of een panty, laarzen of pumps? Voor de zekerheid pak ik het allemaal maar in. Met een rugzak kan ik drie maanden op wereldreis, maar ik neem een weekendtas mee voor twee uurtjes in een studio.
Het is zaterdagochtend, kwart over vroeg. Maanden geleden sprak ik met mijn zus en schoonzus af om samen te gaan shoppen. Maar na mijn onverwachte onthulling bij Pauw, werd ik gevraagd vanavond mee te werken aan een primetime televisie-programma op SBS6, om geld in te zamelen voor onderzoek naar dementie. Of ik er iets voor voelde om deel te nemen aan het belpanel om donateurs te registreren, samen met de directeur en de professor? Kees Tol zou mij persoonlijk komen vragen naar mijn motivatie.
De angst slaat wederom toe. Zelfs na drie jaar, zelfs na Pauw en zelfs na alle hartverwarmende reacties draait mijn maag nog om, elke keer dat ik de akelige woorden van mijn uitslag spreek of tegenkom. Toch zeg ik ja. Ik stop de zwarte én de blauwe, de kousen én de panty, de laarzen én de pumps in mijn tas. Ik geloof niet dat ik bijzonder ijdel ben, maar als je over niets controle hebt, maakt alles uit. Soms zijn het de kleine dingen waar ik mijn houvast in vind.
En zo komt het dat ik met een mini-garderobe kleding, schoenen en makeup naar Haarlem reis om daar gedrieën te gaan winkelen voor nou ja, nog meer kleding schoenen en makeup. Pas in de trein schiet het me weer te binnen. Had mijn contactpersoon niet iets gezegd over een script? Volgens mij heb ik nog niets ontvangen. Zal ik ernaar vragen? Ze is vast hartstikke druk. Ik mail haar toch maar snel. En jawel, er is inderdaad iets mis gegaan, maar ze stuurt de instructies alsnog aan me toe.
Een paar minuten later barst ik in lachen uit. “Bij aankomst krijg je van mij een gele polo met een vergeet-me-niet-speldje. Die heeft iedereen in het belpanel aan.” Juist. Geel. Een polo. Laat ik nu enkel jurkjes hebben meegebracht. Maar ach, mijn enige zwarte broek, thuis in de kast, is grijs en heeft twee gaten. Misschien is het inmiddels tijd voor een vervangend exemplaar.
Vijf pashokjes, drie keer zoveel pantalons en een halve zaterdag later sta ik naast Kees Tol, in een gele polo maatje tent, met rode oren van het bellen en een enorme microfoon onder mijn neus. Ik sta te trillen op mijn pumps. Ik spreek de akelige woorden. We werven 8903 donateurs. Mijn spiksplinternieuwe soft touch slim fit mid rise inktzwarte skinny jeans komt überhaupt niet in beeld. Oja. Soms zijn de kleine dingen ook gewoon maar kleine dingen. Niet zwart, niet blauw, niet rood, maar geel.
Het was het laatste dat ik las voordat ik ging slapen. ‘Dementie is niet te genezen.’ ‘Voor mijn moeder is het toch te laat.’ ’Hoeveel verdient de directeur?’ Een reeks akelige reacties op een Facebookcampagne van Alzheimer Nederland, om geld in te zamelen voor onderzoek. Zuur, zeurend en zeikend werd hier uitgespeld waar ik zo bang voor was. Dat het niet over zou komen. Dat ze er niets van zouden begrijpen. Dat ik ten diepst gekwetst zou worden in mijn diepste kwetsbaarheid.
Droomloos doezelde ik door de nacht tot de ochtend me tenslotte wakker maakte voor De Dag.
Kruipend vlogen de uren voorbij. En nog kon ik het niet. Een handvol lieve vrienden wist het al wat langer. Mijn vader, mijn zus, mijn broer en zijn vriendin hoorden het pas anderhalve week geleden, sinds ik volkomen onverwacht voor het programma was gevraagd. De mail om mijn naasten te informeren stond al dagen klaar, maar ik kreeg ‘m niet verzonden. Met één sneltoets zou ik de glazen bubbel van onwetendheid versplinteren, die mij drie jaar lang had beschermd. Command-shift-d. Ik sloot mijn laptop, zette mijn telefoon op niet-storen en rende letterlijk weg.
En toen toch ook maar weer terug. Vijf zonnig zware kilometers over een brug tussen het eiland en de stad, tussen een keuze en de consequenties, tussen het bekende en het onvoorspelbare.
’Een item van twaalf minuten,’ had mijn redactrice Kelly gezegd. ‘Bovengemiddeld lang.’ Ik bleef maar rekenen en redeneren. Twaalf minuten gedeeld door twee gasten, een professor plus een presentator. Misschien kreeg ik maar honderdtachtig seconden, om een taboe van generaties te doorbreken. Een angst zo groot dat ik er duizendvierentwintig dagen over zweeg. Welke woorden kies je daarvoor? Hoe kon ik die spreken, zonder te breken?
Douchen. De jurk aan. Geen nieuwe, maar een oude, die mijn lieve moeder ooit nog had gezien en goedgekeurd. Haar talisman in mijn tas. De auto in. De A325, de A15 en de A2. Drie happen lucht in het Westerpark. Twee happen vis in het Mediacafé. Een slok koffie zonder cafeïne.
Bij de visagie kreeg ik geen masker, maar mijn eigen herkenbare gezicht geschminkt. Hoe liep dat uit, als ik het straks niet droog kon houden? Ik durfde het niet te vragen. Dapper bleef ik handen schudden. Kelly. De professor. Jeroen Pauw. Ze kwamen in de grote spiegel voorbij, terwijl mijn lippen bij mijn kleding werden gekleurd en mijn haren in model getoupeerd. Hoe kon ik nog succes geknuffeld worden, zonder iemand met foundation te besmeuren?
Nog even door het script. Kordaat ritsten vreemde handen mijn jurkje tot mijn middel open. Het kastje van de microfoon moest vast aan mijn bh. Ik hield mijn gestylede lokken braaf omhoog en liet het allemaal gebeuren. Straks, straks was ik naakt. Straks was ik naakter dan ik ooit was geweest. Straks was ik naakt, voor de ogen van heel Nederland. Of misschien een slordige miljoen.
De trap af. De studio in. Aan tafel bij PAUW. Mijn lief zei: ‘Ik zit achter jou.’ Het kastje knelde op mijn ruggengraat, de lampen schenen zo fel en helder dat ik enkel donker zag.
Opeens was het begonnen. Lubach won een ring. Zalm praatte lang zonder dat hij iets zei. Verschrikkingen rond Anne Faber. Ze gingen aan me voorbij. Ik was alleen maar bezig met dat ene moment in hyperconcentratie. Die paar woorden. De ode aan mijn opa, mijn oom, mijn moeder, aan al die mensen die niet meer konden spreken voor zichzelf. Ik claimde meer dan mijn honderdtachtig seconden en ik stal er nog een paar van Javier. Niets is zo belangrijk als het hier en nu.
Cabaret, applaus en toen was het klaar.
Ik zocht en vond mijn lief. Kelly zocht en vond mij. Het zweet brak me uit en ik weet nog precies wat ze zei: ‘Twitter is ontploft. We zeggen altijd, je moet niet kijken, maar dit moet je zien. Iedereen praat hierover. En het is alleen maar positief.’
Wat mag je eigenlijk verwachten van zo’n weekend, als één van de hardloopvriendinnen eerder in het jaar een diagnose heeft gekregen, die klinkt alsof je haar spijsverteringsstelsel vervloekt? Zesendertig jaar is ze nog maar, met drie kleine kinderen thuis. Veel te jong, veel te sterk en veel te gezond om al zo ziek te zijn. Maar het lot is even blind als barbaars. Haar lichaam brak de chemo niet snel genoeg af, het tijdelijke stoma kwam nooit op gang en haar dunne darm raakte verkleefd in haar buik. Niemand durfde het te zeggen, maar we hebben het allemaal gedacht: zouden we ooit nog met z’n tienen kunnen gaan?
Geen ‘stijlvol’ terrasappartement in Barcelona, geen ‘adembenemende’ Airbnb in Berlijn. Dit jaar boekten we een ‘groepsaccommodatie ZE502’ ergens in Noord-Beveland. Niemand maakte zich nog druk om de hoogtepunten die we absoluut niet mochten missen of het tentje waar we volgens dat ene gidsje echt geweest moesten zijn. In Colijnsplaat is naar boven afgerond vrij weinig te beleven. De kust bleek een dijk, het dorp bleek een gat en het eetcafé bleek een veredeld frietkot. Het enige bekende strandrestaurant was op zaterdag dicht en op zondag te druk.
Het maakte niet uit. We loungeden de spinnenwebben van de parasol, de kussens uit het schuurtje en de benen uit de lange broek. Het lot mocht ons dan overvallen hebben, maar tegen tien vastberaden dames brengt het toeval weinig in. Alles hadden we geregeld en de rest geïmporteerd. Van chocoladepepernoten tot pompoensoep, van een koeltas Turkse tapas tot thuis-alvast-gesneden fruit, van zelfgemaakte blauwebessencrumble tot zelfgebakken appeltaart, van theelichtjes tot theedoeken en zes rollen vier-laags extra zacht toiletpapier. Aan de kaasplank in de koelkast kwamen we überhaupt niet meer toe.
Zij sliep als eerste, de laatste sliep voor twaalven. Om in alle vroegte en in alle nuchterheid te ontwaken voor een ontbijt met zelfgeraspte, zelfgeweekte, zelfgegarneerde overnight oats. Het recept, zo stond in de kleine letters, was zelfs voedselzandloper-proof.
De dagen baadden in de zon, ons plezier drukte af in het zand en onze schaterlach overstemde de zee.
Alles was anders en niets was veranderd. We brachten voor twee nachten een complete rolkoffer mee, met kleding, schoenen, sneakers en slippers, maar wat moesten we in vredesnaam aan? Was het warm genoeg voor korte mouwen, zouden ze denken dat dit shirtje ordinair was, leek de buik niet opgezet? Wel of niet of toch de hoge hakken aan en wellicht nog gympen in de handtas voor het geval? De shampoo bleek vergeten, had iemand misschien een föhn meegebracht en o, nee, waar was de andere oorbel gebleven? We maakten ons druk over de vragen des levens. Had God echt de beste haren al aan andere vrouwen bedeeld?
Het werd meer. Meer dan we hadden durven dromen. We proostten met verse muntthee op de vriendschap en we toostten met biologische prosecco op het leven. De dagen baadden in de zon, ons plezier drukte af in het zand en onze schaterlach overstemde de zee. We fietsten langs de Oosterschelde en de Deltawerken en zij fietste mee, verder dan onze verwachting, ver voorbij onze hoop – en toen ook weer terug, met onze brede schouders voorop en een sterke hand op haar rug.
Net als vroeger trokken we op zondagochtend onze hardloopschoenen aan. Negen meiden liepen hard en eentje wandelde langzaam, maar ze ging. Een klein meisje in een grote trui. Met fut in haar haren, met kleur op haar huid, met glans in haar ogen.
Ze wordt weer beter. We zagen het, allemaal.
Ze is een mirakel, die interieurverzorgster van ons.
Haar heilzame invloed vangt al aan voordat ze arriveert. Op het allerlaatste moment, als we ’s ochtends halfaangekleed in blinde paniek het huis door denderen om alles op te ruimen dat los zit of los kan, van de was tot de vaat en vooral de frutsels. Op de vooravond, als één van ons rechtop in bed schrikt met ‘heb jij al gepind?’ Niet zelden plundert manlief ’s avonds laat een winkelwagenmunt, het vakje met parkeercontanten of het handje plasgeld voor de hoogste nood. Op zondag weten zelfs de kinderen al hoe het zit. Of het nu om een looming elastiekje of een blokje technisch lego gaat, wat niet is opgeruimd, wordt opgezogen. Onlangs verdween een complete plint – maar daarover later meer. Laatst waren we warempel één keer tijdig klaar, de hele toko à la Kondo aan kant en met afgepaste flappen op tafel, bleken we een krappe week te vroeg te zijn.
Dat scheelde ons dan weer een zwerftocht over straat, zoekend naar een werkplek waar je om half negen welkom bent. Want als zij komt, dan gaan wij weg. Eenmaal binnen trekt ze haar speciale schoonmaakslippers aan, draait de verwarming dicht en gooit alle deuren open. Ik vermoed dat ze het anders aflegt tegen allesdoordringende dampen van azijn in combinatie met chloor. Ze heeft namelijk zo haar eigen instrumenten en technieken. Van keukentextiel dat ze roze bevlekt bleekt in de toiletpot, tot een speciale stoffer en blik om de badkamer te boenen. Wij stellen geen vragen, we schaffen alles voor haar aan. Wat maakt het uit dat soms een weegschaal versplintert, een amaryllis omknakt of het klepje van de wasemkap afbreekt. Dat er opeens drie decimeter plaklat spoorloos van de vloer verdwijnt. Geen idee hoe ze het voor elkaar krijgt, maar van mij mag ze.
Trouwens, zag ik haar de eerste keer niet met de stofzuiger aan het plafond? Hoe we het appartement na afloop van haar sessies aantreffen, blijkt altijd een verrassing. Soms heeft ze de hele inventaris van de koelkast naar een ondoorgrondelijk systeem gereorganiseerd, of ligt het halve gasfornuis gedemonteerd te drogen op het aanrecht. Vaak staat de prullenbak op de wasmachine, hangt de wasmand aan de verwarmingsknop en vind ik mijn collectie toiletartikelen in volledig herziene volgorde terug, waardoor ik ’s ochtends ternauwernood weet te voorkomen dat ik kokosdouchegel in mijn haren sop. Meestal keert ze de matras schuin over het hoofdeinde heen, stapelt onze nachtkastjes er met lamp en al bovenop, drapeert het dekbed vervolgens over de deur en verbant mijn schapenvelletje naar het balkon.
Het moet een kneepje van haar vak zijn. Ik bedoel, bedenk het maar eens, één kaars in de kandelaar op de kop.
Maar haar mopsteel laat ze steevast bij de voordeur achter, alsof ze zojuist al soppend is afgezwaaid. Soms denk ik dat ze het er om doet. Zodat we zeker weten dat ze is geweest. Het moet één van de kneepjes van haar vak zijn, om elke keer weer nét iets anders te veranderen. Ik bedoel, bedenk het maar eens, één kaars in de kandelaar op de kop. Ze moeten dus wel schier oneindig zijn, de mogelijkheden voor een dubbel verstekgezaagde Tundra plakstrip met antiekpatroon. Misschien vind ik ‘m ooit nog eens terug. Als stootstrip voor de weegschaal. Als steunlat voor de amaryllisstengel. Als stelplank voor de wasemkap. Wellicht weet ze het restant op ingenieuze wijze te ontmantelen en de onderdelen in volslagen willekeur te arrangeren tot een instabiele toren, eenzaam hellend over de reling van mijn balkon.
Dinsdag komt ze weer. Of was het volgende week?
Ze is een mirakel, die interieurverzorgster van ons.
Of: hoe je voor anderhalve habbekrats volledig ontstresst en ontsleurt.
Voorbereiding
a) Open de Ryanair Routekaart en boek blind een retour naar de nieuwste bestemming.
b) Of selecteer een stipje waar je de naam niet van kent. Bijvoorbeeld София, zegge: Sofia, met de klemtoon op de o.
Stap 1
a) Vraag Ivan de hotelreceptionist naar de weg. Wees niet verbaasd wanneer hij bij gebrek aan woorden al wijzend met je mee naar buiten loopt.
b) Of trotseer op eigen inzicht en je stevigste stappers de krakkemikkige stoep van ongelijke en gebroken tegels, richting een kolossale kathedraal van eeuwenlang perfect geconserveerde stenen. Sla rechtsaf de Happy in, ook al doet de schreeuwendrode gevel als een fastfoodketen aan. Leid u niet in verzoeking; dit is de enige fatsoenlijke tent die op de bonnefooi te vinden is voor een gewone sterveling. Weest ook niet bevreesd: zelden zal je koude Kamenitza beter smaken bij je culinaire burger, quinoasalade of gegrilde kip. Zo niet dan kun je je vergapen aan petite serveersters in petite bloesjes met vastgestikte bretels, die verplicht spontaan een dansje doen op hun petite sandaaltjes, vlak voor de solide bar waar de gespierde kerels sterke cocktails mixen. Bij vertrek krijg je een Happy-kerstbal met een Happy-credo in een Happy-doosje mee naar huis.
Stap 2
a) Trek je hardloopschoenen aan, groet Ivan en verlaat het hotel. Laat je inspireren door de kamikazeklusser, die vijf verdiepingen boven je hoofd aan twee kabels bungelt langs een flatgebouw, dat hij ondertussen in z’n eentje stuukt. Sofia ligt aan je voeten! Dribbel westwaarts langs de driebaansverkeersader met Audi’s, Porsches, BMW’s. Na anderhalve kilometer kun je prima dat paadje nemen over het semi-braakliggend terrein rond de semi-vervallen woontorens. Zolang Google Maps zegt dat het kan, zet je gewoon door, desnoods klauter je een stukje verder op handen en voeten over het spoor. ‘Vanwege de lokatie’ is het onder toeristen wat minder bekend, maar hier ligt een park, zo groot en ongecultiveerd dat het haast natuur mag heten, compleet met sneeuw en uitzicht op een berg. Reken dus niet op hekken en een poort bij de uitgang, negeer het ontbrekende asfalt, het zwervende vuil en de alomtegenwoordige hond. Dit is de officiële route en misschien is dit de echte stad, met primitieve kotten en een ezelkar in de berm. Nergens anders word je op de openbare weg zo vriendelijk ontweken.
b) Of vraag Ivan om instructies naar het Groen van Boris, dat met een commerciële sneeuwmachine wit gespoten wordt.
Laat je inspireren door de kamikazeklusser, die vijf verdiepingen boven je hoofd aan twee kabels bungelt langs een flatgebouw, dat hij ondertussen in z’n eentje stuukt.
Stap 3
a) Maak je het cyrillische alfabet meester en herbeleef de kinderlijke euforie bij het ontcijferen van je eerste woordjes Bulgaars.
b) Of bekeer je acuut tot Tripadvisor en verken de gebaande paden naar de verborgen parels in de stad. Ontbijt een kaasomelet in een regenboogbar vol mannen met tatoeages en kuiven. Lunch soep en salade in een verstopte huiskamerkroeg met kranten aan het plafond, deuren op tafels, takken aan het raam en rijen tot de straat. Bestel een burger in de beste en de kleinste horecagelegenheid, ter grootte van je vroegere studentenkamer, maar met permanente rock, een ingebouwde bar en hoogbestapelde broodjes. Dompel je onder in kerstsfeer op een oerduitse Christkindlmarkt compleet met Baumschmuck, Bratwurst en Kartoffelhaus, waar de lokale Heidi van de glühwein je al na één drankje herkent. Besteed indien beneveld en bij nacht verhoogde aandacht aan het wegdek tot je Ivan weer ziet.
Stap 4
a) Neem afscheid van Ivan en hoor dan pas hoe hij ooit in onze Amsterdam Arena in Carmen de Opera heeft geschitterd als achtergrondgod.
b) Of raadpleeg een tolk voor de correcte vertaling.
Stap 5
a) Begeef je op uitzonderlijk verzoek van Ryanair ruim twee uur voor vertrek naar het vliegveld, vanwege verwachte ‘vertraging door beveiliging’. Rapporteer aldaar in alle vroegte tot onbegrip van het grondpersoneel dat net aan de eerste espresso begint. Wacht tot het mannetje van het scanapparaat en het vrouwtje van het fouilleren beiden hun post hebben bemand. Begeef je in serene rust naar de uitgestorven vertrekhal, waar de winkeltjes nog dicht zijn en de verwarming nog uit. Ga op zoek naar cafeïne met ontbijt tot de barjuf arriveert, die haar zachte broodjes met harde herrie serveert. Overweeg een dagdroom in het dunbevolkte vliegtuig.
b) Of zwaai uit het raampje naar Ivan. Dag София. Welkom terug in de Westerse wereld.
We hebben een bijzondere band, de man zonder naam en ik.
Hij weet zo’n beetje alles van me. Waar ik woon, wanneer ik thuis ben, zelfs wat ik online bestel. Maar wat weet ik feitelijk van hem?
Nu ik er zo over nadenk, eigenlijk alleen wanneer hij werkt. Ik herken hem aan zijn zachte stem en aan zijn zachte g waarmee hij nooit hartgrondig welke god dan ook vervloeken kan. Dat hoeft ook niet, want de man is de vriendelijkheid zelve. Hij meldt zich altijd netjes en bejegent mij op een manier die hartelijk correct is. Ik neem alles van hem aan. Hij is de onbekende die ik vol vertrouwen binnen laat.
Hij is de onbekende die ik vol vertrouwen binnen laat.
Samen hebben we een stille overeenkomst. Als ik thuis ben, kan hij altijd en met alles bij mij terecht. Laatst liet hij er negen achter in mijn gang. Allemaal tijdelijk uiteraard. Andere onbekenden komen ze vervolgens halen, al zijn die lang zo hoffelijk niet als hij. Ze bellen aan en zeggen ‘dag’, ik geef iets af en krijg een ‘dank’ en dan is het alweer ‘doei’.
Als hij een paar dagen later langskomt en ik hem weer zie, vraagt hij belangstellend aan me hoe het is gegaan. Of ik alles kwijt geraakt ben en of hij nog iets van mij overnemen moet misschien? Natuurlijk zeg ik steevast ‘nee’, maar toch doet zijn betrokkenheid me goed. Hij geeft me het gevoel dat het hem echt schelen kan wat ik er van vind en dat hij in onze verhouding investeert, net zoveel als ik dat doe of misschien nog wel wat meer.
Net nog belde hij aan. ‘Hallo?’ vroeg ik door de intercom en al bij ’Hai!’ wist ik genoeg. ‘Momentje,’ zei ik, pakte mijn sleutels en snelde de trap al naar hem af. Twee had hij er vandaag. We hebben inmiddels aan een blik genoeg, maar nooit is onze afspraak vanzelfsprekend. Hij vraagt altijd eerst of hij ze bij mij kwijt mag. ‘Natuurlijk,’ zei ik, ‘geen probleem’. Hoewel ze niet voor mij zijn en ook niet van hem, maken we ons toch samen druk om andermans eigendom.
Onlangs zijn we een stap verder gegaan. We hebben onze relatie naar een nieuw niveau getild. Ik mag, zo blijkt, namelijk ook iets van mij aan hem toevertrouwen, maar alleen als ik eerst wat ontvangen heb, anders kan hij het niet verwerken. Hoe het zit is mij onduidelijk en ik informeer er ook niet naar. Soms vraag ik me af of hij het zelf wel weet. Ik voel me er haast een beetje schuldig bij, kan ik dit wel van hem vragen? Maar hij laat me niet eens betalen.
Hij noemt het in termen van de postpakketdienst een ‘spontane retour’. Ik noem het wederkerigheid. Niet omdat het moet, maar omdat het kan, omdat het mag. Bestond daar maar wat meer van.
‘Een familie van stand sleept wat mee door de tijd. Dit huis heeft kastplanken vol zilveren eierdopjes, drinkglazen, antieke pijpenkoppen en ivoren tandenborstels – met duizend gaatjes, de haren zijn verteerd. Er staat Venetiaans glaswerk en sommige smalle drinkglazen van de 17e-eeuwse voorouders zijn er ook nog, dun en hoog om de enorme kanten kragen te ontzien. Er hangt een pomander, een fraai bewerkt korfje met amber dat deftige dames vroeger aan een kettinkje tussen de plooien van hun rokken hingen om luizen en schaamlucht te weren. Gedenkpenningen en ridderordes liggen er, wat losjes op een stapel, naast een diamanten ring van tsaar Aleksandr I, een cadeautje toen hij op bezoek kwam […]. In de bibliotheek: duizenden tekeningen, dagboeken, kattebelletjes, brieven, vele eeuwen bij elkaar, en nog altijd springlevend.’
Geert Mak leest voor, draagt voor, over ‘De levens van Jan Six’. Zijn laatste boek vertelt over de bekende familie van burgemeesters, kunstenaars en wetenschappers waarvan de wortels teruggaan tot de Gouden Eeuw. Over hun statige Amsterdamse grachtenpand met meer dan veertig kamers, waarin als enige familiehuis ter wereld nog twee voorouderlijke portretten van Rembrandt hangen.
Hier, vanavond, in Arnhem, hangt een uitverkochte, dichtbevolkte Koepelkerk Geert aan de lippen. Het is stil sinds hij statig de kansel besteeg, zijn onderarm ontspannen steunde op de Heilige Schrift en begeesterd begon te oreren, als was hij een dominee en niet enkel diens zoon, als trok hij alle dagen volle zalen, wat ook daadwerkelijk zo blijkt te zijn. Hij treft een grijsgeschakeerd schouwburgpubliek, de heren uniform in kraagjes, de dames uniform in pantalon, een durfal in een Desigual of een kanten LaDress op een naaldhak.
Voor mij zitten twee vriendinnen. Althans, dat denk ik. De linker was al veel te vroeg aanwezig geweest, onrustig dralend rond hun lege stoelen, uitdrukkelijk bezet met jas en tas en sjaal. ‘Het was háár idee om ruim op tijd te komen,’ had ze hardop geklaagd, haar ogen op de ingang gericht, waar de rechter nog lang niet was verschenen. ’Zij wilde per sé een plekje vooraan. En dan ben ik er. En dan is zij te laat. Zo gaat het altijd.’ Ze keek nog eens goed over mij heen. ‘Let u even op mijn spullen?’ Toen ze terugkwam had ik haar amper herkend, zo feilloos ging ze in de welgestelde massa op, maar nu was de ander er ook, identiek onopvallend met onder haar korte coupe een koraalrode omaoorbel, het soort dat men vroeger clipte en tegenwoordig steekt.
‘Ongelijkheid is immers een manier van kijken.’
‘In wezen gaat dit boek – dat zie je vaak pas achteraf – over ongelijkheid en ongelijkwaardigheid,’ besluit Geert zijn betoog. ‘Ongelijkheid was voor de meeste hoofdpersonen van dit boek een vaststaand gegeven, een onderdeel van de van God vergeven ordening die ieder een eigen plaats gaf, man en vrouw, zoon en dochter, dienstmeisje en burgemeester.’
Uiterst rechts van ons klinkt een andere stem, die afleidt, verstoort, niet retorisch redenerend, maar onverstaanbaar bazelend.
‘Ongelijkheid,’ gaat Geert echter verder, ‘is immers, net als gelijkheid, een abstract begrip, het is geen feit maar een manier van kijken.’
Achterin steekt een man af met zijn rug tegen de muur, wijdbeens in een oranje wegwerkersjas, een smalende lach op zijn gezicht. Alsof hij straks ons asfalt naloopt in het donker van de nacht. De linker buurvrouw voor mij kijkt, de omaoorbel kijkt, Geert kijkt, Geert negeert en Geert continueert.
‘De laatste jaren is […] in rap tempo een hedendaags systeem van rangen en standen in opkomst. De rijkste 1,3 procent van de Nederlandse huishoudens heeft, althans volgens de privébank van Van Lanschot, alweer meer dan 40 procent van het totale Nederlandse privévermogen in handen. Daarmee slingert de pendule terug naar het vooroorlogse niveau van ongelijkheid.’
De vreemdeling zwijgt, de schrijver spreekt.
‘Opnieuw openbaart de huidige ongelijkheid zich, net als in de 17e eeuw, vooral achter gesloten deuren’.
Na afloop doen twee barmhartige Samaritanen hem uitgeleide van de kerk tot aan het station; Geert Mak althans, de ander is uit het oog verloren.
Hoe moeilijk kan het zijn. Er ligt zelfs een briefje met instructies. ‘Om het vat te openen, trek je de hendel omhoog’. Of, wacht even, was het niet omlaag? Er is doorgehaald en bijgeschreven. Maar mij krijg je niet op de kast. Ik ben heus wel wat kampeergeïmproviseer gewend. Komt er geen water uit de kraan, dan moet het ding dus de ándere kant op. En als het straaltje te lullig wordt, dan pomp je gewoon de druk… even denken. Ja. Omhoog. Het staat er duidelijk.
Dag drie in Bakkum. Na een korte nacht. Manlief is met de kids croissantjes halen en ik krijg de ketel enkel met geduld gevuld. Een potentieel gebrek aan koffie brengt het beste in mij boven en dus duik ik onbevreesd uit de uitpuilende opslagtent een fietspomp op. Geen band kan ik plakken, maar dit lukt me vast. Het wieletje op het pieletje, duwen, trekken, duwen, trekken en, o, wonder! Tien minuten later zit ik aan een beker troost.
’s Middags meldt manlief zich. Het fust is leeg. Leeg? Leeg. Geen water uit de kraan, geen klotsen in het vat, hij heeft het zelf geschud. Aan de uitklapkeukentafel in de caravan, zwijgen echter alle uitlegblaadjes over vullen. Dan kan het niet al te ingewikkeld zijn, denken we binnen. Buiten weten wij nog net een bierfust en een tuinslang te herkennen, plus de eerst stap. Hendel de andere kant op en daarna de slang los. We proberen achtereenvolgens draaien, linksom, rechtsom, vloeken en finesse en tenslotte brute kracht. Aha. Wij deden het heus wel goed, het zand zat in de weg!
Dan smijt manlief in één zin z’n volledige doe-het-zelf vocabulaire er tegenaan. ‘Dit is een mannetje en dat is een vrouwtje en zo past de slang dus niet aan de kraan.’
Dan smijt manlief in één zin z’n volledige doe-het-zelf vocabulaire er tegenaan. ‘Dit is een mannetje en dat is een vrouwtje en zo past de slang dus niet aan de kraan.’ Ik volg schoonmoeders gedachtegang, stort me in de overvolle keukenla en stuit op batterijen, elastiekjes, batterijen, nog meer batterijen en, wacht even, ja, jawel, het kraankoppelstuk! We klikken het zo, hop, klak, aan de slang.
Overmoedig evacueren wij het hele zaakje op een krakkemikkige kar de brandnetels uit naar het dichtstbijzijnde waterpunt. We monteren het mondstuk, dat past(!), duwen de hendel en draaien de kraan. Kijk ons eens gaan. In een mum van tijd is het vat gevuld. Kraan dicht, hendel terug, mondstuk los en gedurende drie en een halve seconde spuit, spettert, spat het struikgewas gelijk een heel wildwaterpark. Juist.
We herpakken ons, proberen het opnieuw. Hetzelfde riedeltje en hop, hij is weer vol. Inmiddels zijn we er ook uit. Het is de correctie op het briefje. De hendel moet niet omhoog, maar omlaag. Dat moet het haast wel zijn. Kraan dicht, mondstuk los. U raadt het vast, u wéét het vast en wij stellen vast, met n=2 na een 0,04 kuub weggelopen water. Deze modus operandi is onjuist.
Maar hoe dan wel? Een hulplijn denkt u. Maar nee, we zijn op Bakkum en dus zonder wifi en bereik en buurman vindt ons schouwspel té vermakelijk. Ons rest ‘trial and error’, ‘depth-first search’, pompen of verzuipen en één hint. ’Pull’ staat op de hendel. Maar dat wisten we dus al. Enfin. Ik zal u het verdere beloop van ons waterballet besparen en geef het ruiterlijk toe. Manlief kwam er achter.
Bij ons afscheid leggen we de hele handleiding ongewijzigd terug. Per slot van rekening staat het er gewoon. ‘Trek de hendel omhoog’. Eerst trekken. Dan omhoog.



